Grondwettelijk Hof maakt brandhout van de btw-regels met betrekking tot esthetische ingrepen en paramedische beroepen

De wet van 26 december 2015 (B.S. dd. 30.12.2015) voerde met ingang van 1 januari 2016 voor de btw-vrijstelling voor paramedische beroepen de voorwaarde in dat het moet gaan om een erkend paramedisch beroep en beperkte die vrijstelling tot de behandelingen die opgenomen zijn in de RIZIV-nomenclatuur. Diezelfde wet zorgde er ook voor dat diensten die betrekking hebben op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter vanaf diezelfde datum niet langer van btw zijn vrijgesteld, maar enkel als die diensten door artsen worden verricht. Zo bleven de door bv. tandartsen verrichte diensten met een esthetisch karakter vrijgesteld van btw.


1. Chiropraxie en osteopathie

Verschillende beroepsfederaties en beroepsbeoefenaars vroegen het Grondwettelijk Hof om deze wetswijziging te vernietigen. Dat hof vroeg raad bij het Europese Hof van Justitie dat onder meer oordeelde (C- 597/17 dd. 27.06.2019) dat de vrijstelling voor diensten van medische verzorging niet afhankelijk gesteld mag worden van de voorwaarde dat de zorgverleners tot een gereglementeerd beroep behoren. Dergelijke diensten moeten eveneens voor de vrijstelling in aanmerking komen als zij worden verstrekt door beoefenaars die niet tot een dergelijk beroep behoren, op voorwaarde dat zij over de noodzakelijke kwalificaties bezitten zodat het kwaliteitsniveau van hun verzorging voldoende hoog is om soortgelijk te zijn aan die van de leden van een gereglementeerd beroep. En dat is het geval wanneer zij een opleiding hebben gevolgd aan een door de betrokken lidstaat erkende onderwijsinstelling.

Op basis van die uitspraak beslist het Grondwettelijk Hof de aangevochten wetswijziging te vernietigen voor zover zij geen btw-vrijstelling verleent voor diensten van chiropraxie en osteopathie die worden verstrekt door andere beoefenaars van medische en paramedische beroepen dan artsen, kinesitherapeuten, vroedvrouwen, verpleegkundigen, zorgkundigen en andere erkende paramedische beroepen. Maar alleen als die andere beroepsbeoefenaars de noodzakelijke kwalificaties bezitten zodat hun handelingen inzake chiropraxie en/of osteopathie van een voldoende hoge kwaliteit zijn zodat ze soortgelijk zijn aan diezelfde behandelingen verstrekt door beoefenaars van een gereglementeerd medisch of paramedisch beroep.

Dus samengevat, als de chiropractor of osteopaat een daartoe door de overheid erkende opleiding heeft genoten, dan vallen zijn diensten van chiropraxie en/of osteopathie onder die btw-vrijstelling, net zoals wanneer die handelingen verricht zouden worden door een arts of kinesitherapeut.

Het Grondwettelijk Hof acht het wel nodig die vernietigde bepaling te handhaven voor alle belastbare feiten die hebben plaatsgevonden voor 1 oktober 2019. De vraag is of deze handhaving beperkt blijft tot de reeds betaalde btw voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2019, of dat de fiscus nog btw kan eisen voor handelingen die in die periode zijn verricht maar waarop geen btw werd afgedragen, zoals steeds werd aanbevolen door de beroepsfederaties. Als we de vergelijking maken met de vernietiging van de wetswijziging die kans- en geldspelen, andere dan loterijen, die langs elektronische weg worden verricht uit de btw-vrijstelling haalde, dan zouden we kunnen aannemen dat de fiscus geen btw kan vorderen als de in die periode verrichte handelingen van chiropraxie en osteopathie van btw werden vrijgesteld (Grondwettelijk Hof, rolnr. 6981, 08.11.2018).


2. Btw op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter

Verder beslist het Grondwettelijk Hof dat de wetswijziging ten onrechte de btw-heffing op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter beperkt tot die prestaties die door artsen worden verricht. Volgens het Hof moet de aangehaalde wetswijziging vernietigd worden voor zover ze dergelijke prestaties blijft vrijstellen van btw als ze worden verricht door tandartsen, vroedvrouwen, verpleegkundigen, zorgkundigen en paramedici.

Dat betekent dus dat bv. tandartsen btw moeten aanrekenen over de vergoeding die ze krijgen voor het bleken van tanden als dat enkel omwille van esthetische redenen wordt uitgevoerd. Ook hier stelt het Hof dat die vernietigde bepaling gehandhaafd moet blijven voor alle belastbare feiten die hebben plaatsgevonden voor 1 oktober 2019. Dus zal in ons voorbeeld de tandarts slechts btw verschuldigd zijn over dergelijke handelingen uitgevoerd na 30 september 2019. Maar van een fiscus die het beginsel van behoorlijk bestuur respecteert, mag men toch verwachten dat als hij al toepassing wil maken van deze uitspraak om inderdaad die btw-heffing te verplichten, hij een toekomstige datum van inwerkingtreding zal bekendmaken, en geen retroactieve.


3. Btw-vrijstelling esthetische ingrepen waarvoor terugbetaling RIZIV geldt

De wetswijziging die op 1 januari 2016 werd ingevoerd, beperkte de btw-heffing op ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter tot die welke niet zijn opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, of als dat wel het geval is, ze niet in aanmerking komen voor tegemoetkoming overeenkomstig de reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Maar ook deze bepaling wordt door het Grondwettelijk Hof vernietigd omdat de btw-richtlijn dat onderscheid op basis van een ‘terugbetalingscriterium’ niet toelaat.

Voor alle duidelijkheid, het is enkel de beperking van de btw-heffing tot ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter waarvoor er geen terugbetaling is voorzien, die wordt vernietigd. Dat betekent dat alle ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter van de btw-vrijstelling voor diensten van medische verzorging uitgesloten zijn, ook die waarvoor een terugbetaling is voorzien.

Het Hof stelt hier eveneens dat die vernietigde bepaling gehandhaafd moet blijven voor alle belastbare feiten die hebben plaatsgevonden voor 1 oktober 2019.


4. Andere

Het Grondwettelijk Hof vernietigt zelfs de btw-vrijstelling opgenomen in artikel 44, § 1 Wbtw in de mate dat die bepaling toch vrijstelling zou verlenen voor diensten die geen medische verzorging uitmaken.

Ook deze vernietigde bepaling moet gehandhaafd blijven voor alle belastbare feiten die hebben plaatsgevonden voor 1 oktober 2019.


5. Ziekenhuizen

Ook de wetswijziging aan artikel 44, § 2, 1° Wbtw (btw-vrijstelling voor de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging door ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken en dispensaria) wordt vernietigd in de mate dat die bepaling:

  • de handelingen die niet onontbeerlijk zijn voor de vrijgestelde medische verzorging, niet uitdrukkelijk van die vrijstelling uitsluit;
  • de ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter die worden verricht buiten ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken en dispensaria, van de btw vrijstelt.

En ook hier blijft de vernietigde bepaling gehandhaafd voor alle belastbare feiten die hebben plaatsgevonden voor 1 oktober 2019.


6. Commentaar m.b.t. esthetische ingrepen

Omdat het Hof niet integraal de doorgevoerde wetswijzigingen heeft vernietigd, vallen in principe vanaf 1 oktober 2019 alle ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter niet langer onder de btw-vrijstelling voor medische prestaties, ziekenhuisverpleging en -verzorging.

Het is nu wachten op een reactie van de fiscus op deze uitspraak van het Grondwettelijk Hof. Zolang de wetgeving niet wordt bijgestuurd, zou de fiscus de btw-vrijstelling voor medische verzorging niet langer mogen weigeren aan beoefenaars van niet-erkende paramedische beroepen die wel een erkende opleiding hebben genoten en wiens handelingen op kwalitatief vlak geacht kunnen worden soortgelijk te zijn met dergelijke handelingen verricht door een beoefenaar van een erkend paramedisch beroep.

Anderzijds mag men toch hopen dat de fiscus in de gevallen waar de toepassing van die vrijstelling is vernietigd, en als hij die btw-heffing ook effectief wil afdwingen, eerst een toekomstige datum zal meedelen vanaf wanneer die handelingen effectief aan btw onderworpen moeten worden en geen retroactieve toepassing van die btw-heffing zal eisen.

Grondwettelijk Hof, rolnrs. 6429-6462-6464 en 6465, arrest 194/2019, 5 december 2019